Als je kind het wel kan, maar het toch niet lukt
Je weet dat je kind het kan. Thuis gaat het prima, de stof is geoefend en je hebt zelf gezien dat je kind het beheerst.
En toch gebeurt er op het moment dat het ertoe doet iets heel anders. Je kind klapt dicht, begint niet, wordt boos, stelt uit of presteert ineens ver onder zijn niveau.
Als ouder kan dat behoorlijk frustrerend zijn. Want hoe kan iets wat gisteren thuis nog prima lukte, vandaag ineens zo moeilijk zijn?
En misschien nog belangrijker: is dit niet willen, niet kunnen of niet durven?
Dat verschil is belangrijk. Want achter gedrag dat eruitziet als onwil kan faalangst zitten. En een kind dat niet durft, heeft iets anders nodig dan een kind dat echt niet wil.
In deze blog leggen we uit hoe je faalangst bij kinderen kunt herkennen, wat er op zo’n moment gebeurt en vooral wat jij als ouder kunt doen. Niet met de bedoeling om alle spanning voor je kind weg te nemen, maar om het bespreekbaar te maken en je kind te leren dat een fout maken niet betekent dat je hebt gefaald.
Verderop vind je ook onze gratis oefening die je samen met je kind kunt gebruiken.
Wat is faalangst bij kinderen?
Faalangst is de angst om te falen op een moment waarop een kind iets moet laten zien of het gevoel heeft beoordeeld te worden.
We denken dan al snel aan een toets of spreekbeurt, maar faalangst kan op veel meer momenten voorkomen. Tijdens het sporten, bij hardop lezen, tekenen, een spelletje, iets nieuws proberen of zelfs bij het stellen van een vraag in de klas.
Een beetje spanning is normaal en kan zelfs helpen om goed te presteren. Bij faalangst wordt die spanning juist zo groot dat het een kind in de weg gaat zitten.
En dat verklaart meteen iets wat voor ouders soms zo onlogisch voelt: een kind kan iets wél kunnen en het op het moment zelf toch niet laten zien.
Thuis lukt het wel, op school ineens niet
Neem bijvoorbeeld een kind dat thuis prima kan lezen. Zodra het in de klas hardop moet lezen, blokkeert het.
Of een kind dat goed heeft geleerd voor een toets, maar tijdens de toets ineens niets meer lijkt te weten.
Je ziet hetzelfde bij een kind dat prachtig kan tekenen, maar een half uur bezig is met gummen omdat het nooit goed genoeg is.
Dat is precies waarom faalangst soms lastig te herkennen is. Aan de buitenkant zie je misschien uitstellen, boosheid, perfectionisme of afhaken. De spanning die daaronder zit, zie je niet altijd.
Wat gebeurt er bij faalangst?
Wanneer een kind bang of erg gespannen is, reageert het lichaam daarop. De hartslag kan omhooggaan, de ademhaling verandert en het lichaam maakt zich als het ware klaar om te reageren.
Je kent misschien de termen vechten, vluchten of bevriezen.
Bij faalangst kan dat bevriezen heel letterlijk zichtbaar worden. Een kind dat de antwoorden kent, kan tijdens een toets ineens een black-out krijgen. Het hoofd zit zo vol met spanning en gedachten over wat er fout kan gaan, dat nadenken veel moeilijker wordt.
Dat is geen aanstellerij en ook niet iets wat een kind bewust doet.
Maar faalangst ziet er lang niet altijd uit als een kind dat stilletjes dichtklapt.
Hoe herken je faalangst bij je kind?
Sommige kinderen laten duidelijk zien dat ze iets spannend vinden. Bij andere kinderen moet je veel beter kijken.
Je kunt bijvoorbeeld merken dat je kind:
alles perfect wil doen
heel vaak bevestiging nodig heeft
niet aan iets nieuws wil beginnen
eindeloos gumt of opnieuw begint
boos wordt als iets niet lukt
dingen uitstelt
vooraf al zegt dat iets toch stom is
heel hard werkt maar nooit tevreden is
grapjes gaat maken als iets spannend wordt
geen vragen durft te stellen
buikpijn of hoofdpijn krijgt voor spannende momenten
slecht slaapt voor een toets of spreekbeurt
thuis veel meer laat zien dan op school
En daar zit een belangrijk verschil tussen kinderen.
Het ene kind gaat door faalangst juist ontzettend hard werken. Alles moet perfect en een goed resultaat is eigenlijk nooit goed genoeg.
Een ander kind gaat juist vermijden. Niet beginnen, dagdromen, grapjes maken of doen alsof het hem allemaal niets kan schelen.
Beide kinderen kunnen bang zijn om te falen.
Kijk eens verder dan het gedrag
Dit is misschien wel het belangrijkste wat we ouders willen meegeven.
Als je kind niet begint met huiswerk, boos wordt tijdens het oefenen of afhaakt zodra iets moeilijk wordt, is het heel logisch dat je reageert op wat je ziet.
Doe het nou gewoon, je kunt dit.
Maar probeer op zo’n moment ook eens verder te kijken.
Niet beginnen kan een manier zijn om een mogelijke mislukking te vermijden. Want zolang je het niet probeert, kun je het ook niet fout doen.
Dat betekent natuurlijk niet dat achter ieder kind dat geen zin heeft faalangst zit. Kinderen hebben soms ook gewoon geen zin.
Maar het is wel interessant om jezelf af te vragen wat er achter het gedrag zou kunnen zitten.
Maak faalangst vooral bespreekbaar
Je hoeft faalangst niet meteen op te lossen. Alleen al merken dat iemand begrijpt wat er gebeurt, kan voor een kind helpend zijn.
En daarvoor hoef je je kind niet tegenover je aan tafel te zetten voor een zwaar gesprek.
Juist tijdens gewone momenten kun je benoemen wat je opvalt.
Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat je merkt dat je kind iets spannend vindt of dat je het idee hebt dat het bang is dat iets niet lukt.
Je hoeft niet meteen te weten of je gelijk hebt.
Misschien zit je ernaast. Ook dat is prima.
Het gaat erom dat je nieuwsgierig bent naar wat er achter het gedrag zit en je kind merkt dat het erover mag praten.
Probeer daarbij niet te veel waarom-vragen te stellen. Voor kinderen is het vaak heel moeilijk om zelf uit te leggen waarom ze op een bepaalde manier reageren.
Benoemen wat je ziet en samen onderzoeken wat zou kunnen helpen, werkt vaak veel beter.
Goed bedoeld helpt niet altijd
Als ouder wil je je kind natuurlijk geruststellen.
Je vertelt dat het zich niet druk hoeft te maken, dat het iets echt wel kan of dat het gewoon zijn best moet doen.
Heel begrijpelijk, maar daarmee verdwijnt de spanning niet automatisch.
Een kind dat op dat moment echt bang is om te falen, heeft er vaak meer aan als eerst wordt erkend dat iets spannend is.
Daarna kun je kijken naar een kleine volgende stap.
Bijvoorbeeld samen alleen het eerste stukje doen in plaats van de hele taak.
Daarmee geef je je kind de kans om iets heel belangrijks te ervaren: ik vond het spannend en ik heb het toch geprobeerd.
Van ik kan het niet naar ik kan het NOG niet
Een fout hoeft niet leuk te worden.
Dat is ook helemaal niet het doel.
We willen een kind vooral leren dat een fout niet automatisch betekent dat het iets niet kan of ergens niet goed genoeg in is.
Daar helpt één klein woordje enorm bij: nog.
Ik kan het niet wordt dan: ik kan het nog niet.
Daar zit ruimte in om te leren.
En dat kun je thuis heel eenvoudig oefenen. Laat ook je eigen fouten zien. Lach eens om iets wat bij jou misgaat. Probeer het opnieuw. Laat je kind ervaren dat fouten bij het dagelijks leven horen en meestal helemaal niet zo groot zijn als ze vooraf voelen.
Geef daarnaast niet alleen complimenten over het resultaat. Benoem juist ook het proberen, doorzetten, opnieuw beginnen of hulp vragen.
Een simpele oefening voor thuis
Om dit makkelijker bespreekbaar te maken hebben we een eenvoudige oefening gemaakt die je gratis kunt downloaden.
De oefening helpt je kind om na een fout niet meteen te blijven hangen in de gedachte dat het niet kan.
We gebruiken daarvoor vijf stappen:
OEPS → GEDACHTE → STOP → NOG EEN KEER → OKÉ
Eerst kijken jullie wat er gebeurde. Daarna welke gedachte daarbij kwam, hoe je die gedachte even kunt stoppen en wat je nog een keer zou kunnen proberen.
Het laatste stukje vinden we minstens zo belangrijk: het is oké. Iets hoeft niet perfect te gaan om goed genoeg te zijn.
Oefen dit vooral op een rustig moment. Niet voor het eerst wanneer je kind midden in de spanning zit. Hoe bekender de stappen worden, hoe makkelijker je kind ze later kan herkennen wanneer het ze echt nodig heeft.
Gratis download: oefenen met fouten maken
We hebben de OEPS-oefening zo gemaakt dat je hem samen met je kind kunt bekijken, bespreken en gebruiken.
Het doel is niet om faalangst in één oefening op te lossen. Het helpt vooral om er woorden aan te geven en samen te oefenen met wat je kunt doen als iets niet gaat zoals je had gehoopt.
DOWNLOAD DE GRATIS OEPS-OEFENING
Print hem uit, leg hem ergens neer en pak hem er af en toe eens bij. Juist bij kleine foutjes kun je er luchtig mee oefenen.
Wanneer heeft je kind meer hulp nodig?
Spanning hoort bij opgroeien. Een spreekbeurt spannend vinden of balen van een onvoldoende betekent niet meteen dat een kind faalangst heeft.
Maar merk je dat de angst je kind steeds meer beperkt, dan is het goed om verder te kijken.
Bijvoorbeeld wanneer je kind regelmatig situaties vermijdt, vaak lichamelijke klachten heeft rondom school of prestaties, structureel onder zijn niveau presteert, heel negatief over zichzelf praat of dingen niet meer durft die het eigenlijk graag zou willen doen.
Dan kan het fijn zijn als iemand met jullie meekijkt naar wat er precies speelt en wat je kind nodig heeft.
Tot slot
Faalangst bij kinderen gaat niet alleen over bang zijn voor een onvoldoende.
Soms zie je juist boosheid, perfectionisme, uitstelgedrag of een kind dat doet alsof het hem niets interesseert.
Daarom kijken wij liever niet alleen naar het gedrag, maar vooral naar wat erachter zou kunnen zitten.
Je hoeft als ouder niet meteen de perfecte oplossing te hebben.
Begin eens met het bespreekbaar maken.
Want als een kind merkt dat een fout gemaakt mag worden, dat spanning er mag zijn en dat het daarna opnieuw kan proberen, gebeurt er iets belangrijks.
Een fout wordt dan steeds iets minder een bewijs dat je het niet kunt.
En steeds iets meer een onderdeel van iets nieuws leren.