Hoe praat je met je kind zonder dat je klinkt als een zeurende ouder?

Je vraagt voor de derde keer of de tas al is ingepakt. Je wilt weten waarom je kind zo stil uit school kwam. Of je probeert uit te leggen waarom dat ene gedrag echt niet handig was.

Je bedoelt het goed.

Maar nog voordat je bent uitgepraat zie je die blik. Je kind zucht, haakt af of antwoordt alleen nog maar met ja, nee of weet ik niet.

En voor je het weet denk je: Waarom luistert mijn kind nou nooit naar me?

Terwijl je kind misschien iets heel anders ervaart: Daar gaan we weer.

Hoe zorg je ervoor dat je kind niet alleen hoort dát je praat, maar ook open blijft staan voor wat je zegt?

Misschien begint dat wel minder bij de juiste woorden dan we soms denken.

Je kind luistert niet alleen naar wat je zegt

Wanneer we met een kind willen praten, zijn we vaak vooral bezig met onze woorden.

Hoe stel ik de juiste vraag? Hoe leg ik dit uit? Wat moet ik zeggen zodat mijn kind begrijpt wat ik bedoel?

Maar communicatie bestaat uit veel meer dan woorden alleen.

Je kind hoort je woorden, maar merkt tegelijkertijd hoe je klinkt, hoe je kijkt, hoe je erbij zit en hoeveel spanning of rust je uitstraalt.

Misschien zeg je:

“Vertel maar, ik word echt niet boos.”

Maar ondertussen klinkt je stem gespannen, staat je gezicht strak en zit je recht tegenover je kind te wachten op antwoord.

Welke boodschap komt er dan binnen?

Waarschijnlijk niet alleen de woorden ik word niet boos.

Je kind leest jou namelijk óók.

Bestaat een gesprek uit alleen maar woorden?

Misschien heb je weleens gehoord dat communicatie voor 7% uit woorden, 38% uit stemgebruik en 55% uit lichaamstaal bestaat.

Lees dit even nog een keer, maar 7 % van een gesprek bestaat uit woorden……

Dit komt uit een onderzoek van psycholoog Albert Mehrabian. Die onderzocht wat er nou allemaal in 1 boodschap zit dat jij naar je kind geeft.

Er zit dus meer boodschap in de non-verbale taal dan in de verbale taal.

En juist dát is interessant als je met kinderen praat.

Want stel dat jij zegt:

“Het is prima hoor, vertel het maar.”

maar je stem klinkt geïrriteerd en je gezicht staat gespannen.

Dan zal je kind waarschijnlijk eerder afgaan op wat het bij jou ziet en hoort dan alleen op de letterlijke woorden.

En zeker kinderen zijn hier nog gevoeliger voor. Wij volwassenen zijn totaal taalvaardig en daar inmiddels mega in geoefend maar we vergeten vaak dat kinderen dat nog niet helemaal zijn en zij hun informatie uit andere dingen halen zoals lichaamstaal en stemgeluid en vooral de combinatie van deze twee. En klopt wat je zegt ook bij wat je uitstraalt, want als dit niet kloppend is, dan snap je dat ook niet de juiste boodschap bij je kind aankomt.

Een hele belangrijke tip is: zorg dat wat je zegt past bij wat je uitstraalt.

Een kind voelt vaak haarfijn aan met welke bedoeling je begint

Kinderen merken onze toon, gezichtsuitdrukking, houding, haast en irritatie vaak sneller op dan we denken.

Je kunt dus heel rustig vragen:

“Heb je je huiswerk al gemaakt?”

terwijl je kind allang voelt dat er eigenlijk achter zit:

Ik vertrouw er niet op dat jij dit zelf regelt.

Of je vraagt geïnteresseerd hoe het op school was, maar vuurt daarna zoveel vragen af dat het voor je kind steeds minder als interesse en steeds meer als een verhoor voelt.

Dat is ook waarom contact maken zo belangrijk is vóórdat je probeert informatie te krijgen of gedrag te veranderen.

In communicatie wordt dat ook wel rapport maken genoemd: zorgen dat er eerst voldoende contact en afstemming is. Niet door een trucje toe te passen, maar door echt aan te sluiten bij de ander.

Bij een kind kan dat heel klein zijn.

Even naast je kind gaan zitten in plaats van er recht tegenover.

  • Je stem zachter maken.
  • Niet meteen vijf vragen achter elkaar stellen.
  • Je telefoon wegleggen.
  • Een stilte laten bestaan.

Eerst aansluiten bij wat je kind bezighoudt voordat je begint over wat jij wilt bespreken.

Oprecht zijn betekent trouwens niet dat je nooit bezorgd, boos of geschrokken mag zijn. Juist niet. Je kunt best zeggen dat iets je raakt of dat je ergens van schrikt.

Maar probeer daarna je aandacht weer terug te brengen naar je kind.

Wat probeert hij of zij jou eigenlijk te vertellen?

Soms begint een goed gesprek met even niets zeggen

Als ouder is het verleidelijk om stiltes op te vullen.

“En toen?”

“Wat zei hij dan?”

“Maar waarom deed je dat?”

“Hoe voelde je je toen?”

Voor je het weet ben jij harder aan het werk om het verhaal boven tafel te krijgen dan je kind om het te vertellen.

Probeer na een antwoord eens een paar seconden niets te zeggen.

En luister dan niet alleen met je oren.

Wordt je kind stiller? Gaat het ineens friemelen? Verandert de stem? Kijkt het weg? Ontspannen de schouders juist? Komt er na een stilte toch nog iets?

Non-verbale communicatie kan je veel vertellen, maar probeer er niet meteen een conclusie aan te verbinden. Wegkijken betekent bijvoorbeeld niet automatisch dat een kind iets verbergt.

Zie het vooral als informatie die je helpt om beter af te stemmen.

Misschien heeft je kind even tijd nodig.

Misschien wordt het onderwerp spannend.

Misschien zijn er simpelweg nog geen woorden voor.

Je hoeft niet iedere stilte te vullen.

Kies je moment én je positie

Een goed gesprek kan met de beste vraag alsnog mislukken als het moment verkeerd is.

Een kind dat net uit school komt, midden in een game zit, moe is of al boos is, heeft misschien helemaal geen ruimte voor jouw vragen.

En een gesprek hoeft ook niet altijd tegenover elkaar aan tafel plaats te vinden.

Sterker nog: voor sommige kinderen kan voortdurend oogcontact tijdens een lastig gesprek juist veel zijn.

Sommige kinderen vertellen makkelijker terwijl jullie samen de hond uitlaten, in de auto zitten, afwassen, tekenen of iets anders doen. Naast elkaar praten kan minder beladen voelen dan tegenover elkaar zitten en elkaar voortdurend aankijken.

Ook dát is afstemmen.

Je past niet alleen je woorden aan, maar kijkt naar wat jouw kind nodig heeft om zich voldoende op zijn gemak te voelen om iets te vertellen.

Dus voordat je denkt hij wil nooit iets vertellen, kun je jezelf ook afvragen:

Is dit voor mijn kind eigenlijk een prettig moment én een prettige manier om te praten?

Begin met wat je ziet, niet met wat je ervan vindt

Er zit een groot verschil tussen:

“Je doet de laatste tijd zo ongezellig.”

en:

“Ik merk dat je de laatste tijd wat stiller bent.”

De eerste zin bevat al een oordeel. Je kind moet zich bijna automatisch verdedigen.

De tweede beschrijft alleen wat jij ziet en laat ruimte voor zijn verhaal.

Dat geldt ook wanneer iets fout is gegaan.

“Jij denkt ook nooit na” zegt iets over wie je kind is.

“Ik baal ervan dat je je niet aan onze afspraak hebt gehouden” gaat over wat je kind deed.

Zeker bij oudere kinderen en pubers is dat onderscheid belangrijk. Zodra een kind het gevoel krijgt dat niet het gedrag, maar híjzelf wordt afgekeurd, wordt luisteren een stuk moeilijker.

En ook hier speelt meer mee dan de zin alleen.

“Ik merk dat je wat stiller bent” kan heel uitnodigend klinken als je rustig naast je kind zit.

Diezelfde zin kan heel anders binnenkomen als je hem met opgetrokken wenkbrauwen en een geïrriteerde stem zegt.

Woorden, stem en lichaam vertellen samen het verhaal.

Luisteren is iets anders dan wachten tot jij weer kunt praten

Deze vinden we misschien wel het moeilijkst.

Je kind vertelt een probleem en in jouw hoofd verschijnt onmiddellijk de oplossing.

Logisch, je wilt helpen.

Maar soms heeft een kind op dat moment helemaal geen oplossing nodig. Eerst wil het ervaren:

Je hoort me.

Probeer daarom niet meteen:

“Dan moet je gewoon…”

maar bijvoorbeeld:

“Wil je dat ik alleen even luister, of wil je dat ik met je meedenk?”

Daarmee geef je je kind iets belangrijks terug: invloed op het gesprek.

En als je kind wél wil nadenken over een oplossing, vraag dan eerst:

“Wat denk jij dat zou kunnen helpen?”

Je zult soms verbaasd zijn hoeveel kinderen zelf al weten.

Echt luisteren betekent ook dat je niet ondertussen alvast je antwoord bedenkt. Dat je niet alleen wacht op het moment waarop jij jouw advies kunt geven, maar nieuwsgierig probeert te begrijpen hoe de situatie voor je kind is.

Stop met preken

Deze herkennen we waarschijnlijk allemaal.

Je kind doet iets wat niet de bedoeling is en je begint uit te leggen waarom het niet kan. Vervolgens leg je het nog iets uitgebreider uit. En omdat je kind nog steeds niet reageert zoals je had gehoopt, leg je het nóg een keer uit.

Maar vaak vertel je helemaal niets nieuws.

Je kind weet waarschijnlijk al dat die tas ingepakt moet worden. Dat je elkaar niet uitscheldt. Dat huiswerk gemaakt moet worden. Of dat jullie hadden afgesproken hoe laat hij thuis zou zijn.

Het probleem is dan niet een gebrek aan informatie.

Er is op dat moment geen ruimte om jouw informatie te ontvangen.

Meer woorden maken de kans dat je boodschap aankomt niet automatisch groter.

Sterker nog: hoe langer wij praten, hoe groter de kans dat een kind ergens onderweg afhaakt.

Soms is één duidelijke zin genoeg.

En daarna even niets.

In een preek leg je meestal jouw frustratie neer bij je kind, terwijl je doel eigenlijk is dat je kind ergens iets van leert. En door frustratie te ontvangen, heeft hij vooral  doorgekregen hoe vervelend jij het vindt. Daardoor is de kans groot dat hij ook gefrustreerd is en lijkt iets leren van de ervaring nog verder weg te staan. 

Niet ieder gesprek hoeft iets op te lossen

Misschien is dit wel de belangrijkste.

Een goed gesprek hoeft niet te eindigen met een oplossing, afspraak of wijze levensles.

Soms is het genoeg dat je kind iets heeft verteld en heeft ervaren dat jij luisterde zonder meteen te oordelen.

En soms wil je kind helemaal niet praten.

Ook dat mag.

Je kunt zeggen:

“Dat is goed. Je hoeft het nu niet te vertellen. Als je later wel wilt praten, ben ik er.”

En het vervolgens ook echt loslaten.

Want als je dat zegt, maar vijf minuten later opnieuw begint te vragen, vertelt jouw gedrag iets anders dan je woorden.

Zeker naarmate kinderen ouder worden, hoeven ouders ook niet alles te weten. Een eigen binnenwereld hoort bij opgroeien.

Beschikbaar zijn is iets anders dan overal toegang toe moeten hebben.

Minder praten kan juist méér gesprek opleveren

Als je wilt dat je kind meer met je praat, hoef je dus niet steeds betere vragen te bedenken.

Begin eens kleiner.

  • Kies een goed moment.
  • Ga eens naast je kind zitten in plaats van ertegenover.
  • Begin met wat je ziet in plaats van wat je ervan vindt.
  • Let niet alleen op je woorden, maar ook op je stem, gezichtsuitdrukking en houding.
  • Stel één vraag.
  • Laat een stilte vallen.
  • Luister zonder meteen op te lossen.

En misschien wel de belangrijkste:

Probeer niet alleen contact te maken als er iets moet veranderen.

Praat ook wanneer er niets aan de hand is. Maak grapjes. Toon belangstelling voor iets wat je zelf misschien totaal niet interessant vindt. Doe samen iets.

Want rapport, verbinding of hoe je het ook wilt noemen, ontstaat vooral in al die gewone momenten tussendoor.

Als je kind daar ervaart dat je luistert, geïnteresseerd bent en niet overal meteen iets van vindt, wordt de drempel lager om ook naar jou toe te komen als er wél iets speelt.

En dan blijkt soms dat minder praten inderdaad méér gesprek oplevert.

Gratis gesprekskaart

Merk je dat je tóch steeds terugvalt op dezelfde vragen en zinnen?

We maakten een praktische kaart met 12 zinnen die helpen om van strijd naar gesprek te gaan.

Geen ingewikkelde gesprekstechnieken, maar kleine veranderingen in wat je zegt én hoe je een gesprek begint, die je thuis meteen kunt proberen.

Gratis te downloaden bij Kindercoaching Verborgen Schat.